SPIRAAL, Dubbelspiraal & Omkeerspiraal

Een beweging tussen binnen en buiten, tussen omtrek en centrum kan star rechtuit uitgevoerd worden of dynamisch langs spiraalvormige weg.

Een spiraal tekenen gaat "vanzelf", het is een van de eerste grafische kunstuitingen van de mens, waarschijnlijk zelfs vóór de cirkel. Vanuit een puntje draai je gewoon wat rond in groter wordende bogen. Blijf je steeds op dezelfde afstand van de vorige boog dan ontstaat een rekenkundige spiraal (de straal neemt toe met een vast getal).

Als je de afstand tot de vorige lijn laat toenemen krijg je een logaritmische spiraal (de toename van de straal wordt steeds groter); als deze straal toeneemt volgens de Gulden Snede ontstaat een groei-spiraal die in de natuur veelvuldig voorkomt.

We kunnen een spiraal op 4 manieren laten ontstaan :

De dubbele spiraal en omkeerspiraal

Zo'n enkelvoudige spiraal ga je naar binnen of naar buiten. Pas als je de ene en de andere beweging achtereen uitvoert ontstaat er een totaliteit zoals bij de lemniscaat. Er zijn veel manieren om dit te verkrijgen.

Als je de lege ruimte tussenin de krulling volgt merk je dat deze zelf ook spiraal-vorming is : bij elke spiraal hoort een "negatieve" tegen-kronkel. Je kan bv. op de donkere naar binnen bewegen en op de lichte terugkeren. Als je de rand (raaklijn tussen wit en donker) volgt kom je op een doorlopend pad terecht.

Plaatsen we twee spiralen spiegelend naast elkaar en verbinden ze dan ontstaat een dubbelspiraal zoals het kapittel van een Ionische zuil. De beweging gaat van uitwikkelen naar inwikkelen, de draairichting blijft hetzelfde. De verbindingsboog kan sterk gebogen of recht zijn.

Keer je de tweede spiraal om dan slaat de draairichting van rechtsdraaiend naar buiten om in linksdraaiend naar binnen. Bij de overgang is de buiging 0, en verschijnt er dus een recht stuk (dat je kort of lang kan maken).

Een heel bijzondere dubbelspiraal is deze die in het midden, in zichzelf omkeert : je gaat dan bvb. linksdraaiend naar binnen, en terwijl je gewoon verder stapt keer je rechtsdraaiend weer naar buiten. In die omkering is de buiging weer eventjes 0, een recht lijnstukje dus.

Deze bijzondere omkeerspiraal beantwoord aan een bepaalde formule, en daarin evolueert de curve van - pi inwikkelend tot 0, en verder vanaf 0 uitwikkelend tot + pi . De afstand tussen de krullen neemt naar buiten toe af ...

Ook deze kunnen we aaneenschakelen, tot een doorlopende reeks:

în deze reeks zijn er twee soorten omkeringen : een in het centrum tussen in- en uitwikkelen, een andere "buiten", van de uitwikkelende naar de volgende inwikkelende.

Eindeloos ...

Er is bij de spiraal en omkeerspiraal, in tegenstelling tot de lemniscaat, wel een (voorlopig) begin en einde. Vooruitlopend op de historische voorbeelden tonen we hier wat men daar in de Megalithische tijd op gevonden heeft.

Het geometrisch principe is eenvoudig: in plaats van op een rechte lijn naast elkaar worden drie, vier of meer omkeerspiralen in een kring geplaatst, zodat de laatste kan aansluiten bij de eerste, en de figuur tot één geheel aaneensluit.

Rond een cilinder of pot kom je ook bij de uitgangspositie terecht.

Bekijk deze omkeerspiraal nog eens : wanneer we zijn rand, de buitenlijn volgen komen we ook hier op een oneindige bewegingspad terecht. Met deze figuur benaderen we weer de lemniscaat vorm.

Bewegingen van de spiraal :

Bij het meebewegen met deze omkeerspiralen doen we gelijkaardige ervaringen op als bij de Lemniscaat :

ritmische beweging,

versnellend en vertragend

naar binnen toe en naar buiten toe

Vlotte beweging in de rechte verbinding,

toenemende intensiteit in de rondingen

bewegen in uurwijzerzin en tegenuurwijzerzin of

rechtsdraaiend en linksdraaiend

omkeren van richting,en

wisselen tussen het centrumgerichte en het omgevingsgerichte.

Een weg naar binnen en een pad naar buiten.

In de rondingen wissel je telkens het kontakt met de mededansers

tussen ontmoeten en verlaten

tussen aankijken en de rug toekeren.


Historische Spiralen (Litt. III.10)


Een inwikkelende spiraal verbindt dynamisch buiten met binnen, periferie met centrum.

Een uitwikkelende spiraal beweegt van middelpunt naar omtrek.

Beide drukken de polariteit uit tussen buitenruimte en centrum.

Er is veelvuldig aangetoond dat het spiraalteken ontstaan is uit cultische dansen:

sacraal schrijdend werd het ritmisch naar binnen bewegen verbonden met het weer naar buiten dansen.


Zonnebaan van winterpunt naar zomerzonnewende en omgekeerd naar winterzonnewende (zonneboog winter / zomer).

De weg van het leven verbonden met de weg van de dood, van geboorte naar sterven, en wedergeboorte, zoals plant en dier.

Via het aardse leven van groei en verval enerzijds, en

het "leven" tussen dood en nieuwe geboorte anderzijds in de "andere wereld".


Niet de vorm op zich, maar de weg die bewogen wordt leert de dynamiek ervan beleven.


Spiraalwegen & Labyrinten (Litt. III.33)


Concentrische cirkels, spiraalpaden en labyrintpatronen met talrijke tussen- en overgangsvormen kwamen reeds vóór de Steentijd tot stand, in de Pyreneeën en Egypte zowel als in Polynesië en Amerika. Het lijkt erop dat ze op meer dan één plaats zich onafhankelijk van elkaar ontwikkelden, en volgens verhalen en volksgebruiken gelijkaardige betekenissen droegen : nl. als middel bij inwijdingsceremoniën (wedergeboorte, overgangsriten tussen levensfazen, ...).

Van steengraveringen, over vlakke steenleggingen in het landschap, ging het tot ware bouwwerken.

De oudste variaties van labyrinten werden in Europa gevonden als rotstekeningen in Scandinavië. De reeds genoemde tradities van de noordelijke steenlabyrinten hebben deze tot in onze tijd bewaard. Men noemde ze aldaar in de plaatselijke talen kronkelpaden en draaibergen of "trojaburchten". Van vele is geweten dat ze behoorden tot een mysterie-cultus : men danste er het pad van de Zon en het leven in een wendedans, eventueel afwisselend voor- en achteruit schrijdend.

Deze bouwwerken zijn dus ontstaan uit sacrale dansen. Daarbij beleefde de (door wijzen geleidde) mens geboorte, levensloop, dood, bestaan in de "Andere Wereld", hergeboorte. De eeuwige cyclus.

Rond de heuvel van Gladstonbury (fig.139) kronkelt een bijzondere spiraal in de vorm van een labyrint. Ook deze weg werd sacraal dansend gevolgd, van buiten naar binnen en terug naar buiten, met nog meer links- en rechtsdraaiende segmenten binnen de spiraal.

Het bekende labyrint van Knosos fig. 140) is ontstaan na contact met Egypte, waar omstreeks 3400 vC al labyrint-achtige grafkamers en gebouwen voorkwamen.

Maar ook in het Keltisch gebied, nl. in Tintagel (fig.143) werd het eeuwen vóór onze tijdrekening in een rotswand gegraveerd. Daar bevond zich een belangrijk mysterie-centrum geleid door druïden (Arthur is wellicht een klanknabootsing van de Keltische titel voor de leider van een dergelijke "Universiteit").

Op Etruskische koningsgraven en Babylonische Zikkurrats volgde men omhoog stijgende en neerdalende spiraalwegen. Verder zijn gelijkaardige bouwwerken van China tot Amerika te vinden, wereldwijd dus. Het zijn universele symbolen, ontstaan vanuit gelijkaardige geestelijke feitenkennis.

De Oud-Grieken ontvingen volgens hun mythen vanuit Hyperborea ("boven de noordenwind") boden die hun de diepste zonnewijsheden kwamen brengen. In de verschillende Griekse mysterie-scholen werden spiralende dansen uitgevoerd en bouwwerken vervaardigd, en zij hebben ons daarover schriftelijke commentaren nagelaten.

Over de Delische dans bv. (kraanvogeldans, Geronosdans) werd gezegd dat de linksdraaiende spiraal de weg was naar de dood, de rechtsdraaiende naar de geboorte. Men danste het labyrint in, keerde om in het centrum en, de leiders volgend, weer naar buiten. Vergilius beschrijft een "spel van Troje" waarbij ruiters volgens een kronkelend pad rijden.

"Deosil" was voor de Kelten de heilige richting met de Zon mee. Het was voor helden en koningen "geiss" (taboe) om zich anders door het land te verplaatsen, dat riep onheil en dood op. Om een heilige plek (megalithisch bouwwerk, graf, kapel, beeld) werd rechts-draaiend rondgegaan.

Bedevaarders en processies doen dat nu nog, de priester loopt met de zon mee rond de lijkbaar (de gestorvene wordt immers het eeuwige leven toegewenst). Rechtsdraaiend gaan we dus de weg van het leven, linksdraaiend die van de dood. Naar buiten toe is het pad naar de zomer waarbij de spiraal en het leven zich ontwikkelt, de weg naar binnen krimpt in, neemt af en leidt naar de dood. Het lijkt me aldus aannemelijk dat men rechtsdraaiend naar buiten wentelt en linksdraaiend naar binnen.

Boeiend in dit verband is het Jiddisch verhaal " Jacchid en Jechida", waarin het hoofd-personage vanuit de geestelijke wereld de aarde in sterft, en het beëindigen van haar aardedood (zo noemt ze haar bestaan hier) beleeft als een geboorte.

De weg naar de aardedood is tegelijk de weg naar de geboorte in de geestelijke wereld.

Maiden-castle is misschien wel een inwijdingscentrum geweest, een draaiheuvel met een labyrint, aangelegd voor rituele doeleinden, dat in oorlogstijd tactisch nut bezat. Het labyrint sluit de toegang af voor onbevoegden en/of voor het kwade (zoals de   zandtekeningen op de deurdrempels).

Later zijn deze symbolen verstard tot ornamenten als bv. Griekse meanders, maar toen was het inzicht erin al aan het tanen. Dante was zich nog bewust van de zin ervan, zijn Purgatorium vertoonde een spiraalweg naar de loutering.

Op dit fresco is nog duidelijk te zien hoe een mysteriecentrum, met draaiburg, omgeven is door een labyrint-toegang : alleen "ingewijden" konden binnen.

De stad Troje was waarschijnlijk een dergelijke "Trojaburg", een draaiberg : de noordelijke benaming, waarvan sommige onderzoekers vermoeden dat de naam Troje afgeleid is. Vele steenlabyrinten en spiraaldansen heten van Brittannië tot Scandinavië "troja-...", draai- of wentelrituelen.

Traditionele spiraaldansen

Nog steeds worden er op vele plaatsen "kronkeldansen" opgevoerd, in gemeenschappen waar oude tradities bewaard zijn gebleven.

In Europa is dat o.a. het geval in Italië en op Korfu ;

in Duitsland : de "Schäfferdans" in München om de zeven jaar, in Beieren (Traunstein), in Pommeren heet een dergelijke reidans "Windelbaan" (in het Middelnederlands was december de "windelmaent") ;

en in Groot Brittannië ("slingerdans" in Staffordshire, "slakkengang" en "tabakrollen" in Cornwall).

De ene keer wandelt of danst men hand in hand in steeds kleiner wordende ronden naar binnen, en keert dan om naar buiten. Een ander keer wordt een lange rij gevormd, het eerste kind staat stil terwijl de anderen eromheen draaien tot de hele rij is "opgerold", om vervolgens in tegengestelde richting weer af te wikkelen, enzoverder.

Rituele spiralen (Litt. III.30)

In afgelegen gebieden komen nog gelijkaardige gebruiken voor. Tot in deze tijd danst men op Ierse en Schotse eilanden bij de begrafenis een spiraaldans. Ook in de Stille Zuidzee op de Nieuwe Hebriden bestaat dit gebruik nog.

In Zwitserland (Greyerz) was tot in de 19° eeuw het volksgebruik levend om hand in hand van het ene dorp naar het andere te stappen volgens een aaneengeregen reeks van in- en uitwikkelende spiralen.

In Scandinavië dans(t)en de mensen een weg in de met stenen op de grond afgebakende spiraalwegen en labyrinten. Deze komen ook voor in Duitsland en Engeland. Jonge mannen lopen naar het centrum, waar zich een jong meisje bevindt of, in andere gevallen, een stenen grafkist ( dood en nieuw leven).

Het spiraalritueel vindt plaats in een keien-krul : linksdraaiend gaat men naar binnen (storende energie wordt in de aarde opgenomen), in het midden ervaart men evenwicht (tussen aarde en hemel), rust en volheid, rechtsdraaiend naar buiten keren wordt gezien als een energetische oplading. Deze wisselende beweging schept bij de uitvoerder evenwicht, heling, genezing, inzicht, ...

In parken kunnen nog draaiburchten voorkomen (Herkenrode bij Hasselt bv), aarden heuvels met een spiralend pad omhoog, dat natuurlijk terug afgedaald dient te worden. Volg je het pad naar boven dan ga je rechtsdraaiend, daal je hetzelfde pad af dan draai je links!

Volksdansen

Volksdansen gebeuren het meest in een cirkel (symbool van eeuwigheid, totaliteit, eenheid) of concentrische cirkels (zonnebogen), waarbij naar binnen en buiten bewogen wordt tijdens het ronddraaien (dit resulteert dus in spiralende wegen). Ritmisch voortbewegen, terug bewegen, elkaar kruisen. De namen van deze volksdansen verwijzen vaak naar zonne- en/of levensprocessen. Bij de reuzendans, een typische wendedans, zingt men "kere weerom, reuske, reuske, kere weerom...".

Kinderspelen

In vele kring- en andere kinderspelletjes herkent men nog de oeroude, zinvolle symboliek. In bepaalde hinkelspelletjes huppelt het kind op één been naar binnen (op een rechthoekig, maar soms ook spiralend stramien), naar het centrum dat de "dood" heet, en van daaruit op twee benen naar buiten.

Ook het ganzenbord is een spiralend pad ...Vanaf de 17° eeuw verschenen gedrukte ganzeborden in velerlei versies. Waarschijnlijk knoopten ze aan bij kinderspelletjes, die op hun beurt stamden uit "mysteriespelen" : men heeft geopperd dat een Egyptische dobbelspel en/of skandinavische keilabyrinten voorgangers waren van dit "nieuwe" spel. Een spiraalvormig pad werd ingedeeld in 63 vakjes (dat stemt overeen met de voorheen genoemde zeven levensfazen die ofwel zeven jaren duren, ofwel - de middenste zgn. zonnefaze - driemaal zeven : 9x7=63).

Zin, Inhoud, Betekenis van de spiraal.


Aldus herkennen we in de spiraal(-omkering) de drempel tussen

ruimte en tegenruimte,

tijd en eeuwigheid,

materieel en geestelijk zijn

mensenwereld en goddelijke wereld,

Lichaam en Geest,

geboren worden en sterven,

voorgeboortelijke toestand (als geestelijk wezen) en afdaling in een fysiek lichaam,

leven en dood,

groeien en vergaan, ontwikkeling,

ontplooien en afnemen van de levenskrachten.


De beweging symboliseert de dynamiek tussen polariteiten

activiteit en rust,

in- en uitademen,

doen en bezinnen,

ontwaken en inslapen,

een inkeer in zichzelf,

de weg na de dood naar het heelal, ...en terug naar de aarde,


In oude culturen was elk symbool een middel om de fysiek - geestelijke polariteit te verenigen, met elkaar te verbinden tot een eenheid. Eenzelfde symbool had verschillende lagen van betekenissen, want eenzelfde sturende wetmatigheid werkte in op verschillende gebieden van de werkelijkheid ( "zo boven, zo onder").


Allerlei andere Zon (-Aarde) symbolen sluiten hierbij aan en be-nadrukken bepaalde aspecten, trachten de complexiteit van de werkelijkheid weer te geven.


Litteratuur


III.08 Kempische zandtekeningen, J.Weyns, Openluchtmuseum Bokrijk

III.09 Decorative Patterns of the Ancient World, F.Petrie, Studio Ed., London 1930

III.10 Zon en Kruis , J. Streit , Christofoor Zeist, 1980

III.21 Een ceremoniële bijl uit het Maasgrind, L.Van Impe & K.Verlaeckt, Arch.in Vl. II, '92

III.27 Het ganzenbord in Vlaanderen, Kon. Bond der O.-Vl. Volkskundigen.

III.30 Doolhoven en labyrinten, J.Bord, Landshoff 1976

III.32 Jentl, I.B.Singer (Jachid en Jechida")

 
Make a Free Website with Yola.